Moeder en kind, Spakenburg c. 1917
Geïnstitutionaliseerde olijkheid: dat is ‘rokjesdag’. Ach ja, een columnist kan op een mooie voorjaarsdag zoiets bij zichzelf denken, hij mag het eventueel een keertje opschrijven – maar om dan te doen alsof het interessant is! Om de man, die er zelf al te veel werk van maakte, later nog eens te gaan herdenken met dertig paar onooglijke blote benen!
Kleding is emotie, zo blijkt altijd weer. Wat voor de een sentiment is, is voor de ander ergernis. Ieder onderdeel, van de hakken (hoog of laag) via het middel (al dan niet ingesnoerd) tot de kruin (hoofddoek, lang of kort haar) doet niet alleen iets met het zelf-gevoel van de draagster, maar ook met hoe zij wordt bekeken. Voor mannen geldt dat hoogstens een beetje minder. Geen wonder dat de meeste mensen zich veilig conformistisch kleden. En geen wonder dat mensen die niet van immigranten houden, zich zo storen aan hun kleding.
Honderd, nee, vijftig jaar geleden nog werd in Nederland heel wat klederdracht gedragen. Meisjes moesten van hun ouders ‘in dracht’; het stierf weliswaar uit, maar dat kostte ruzie en tranen. Daar stond tegenover dat cultuurminnende lieden het verdwijnen van mutsen, bloedkoralen en oorijzers hogelijk betreurden: ging er geen waardevol cultuurgoed verloren als jonge vrouwen die banale burgerpakjes aantrokken? Maar er was geen kruid tegen gewassen. Ongetwijfeld zal het met de Turkse en Marokkaanse hoofddoeken ook zo gaan, evenals met de djellaba’s, de boerka’s en de rest. Hoe minder je erover zeurt, hoe sneller. Niet zeuren over andermans kleding is altijd het beste.