Pandora, Maison Vever, Parijs c. 1889 (ivoor, lapis lazuli, serpentijnsteen, jaspis, gedeeltelijk verguld zilver en email). Rijksmuseum Amsterdam
Ivoor en jade, goud en zilver, parels en diamanten – waarom houden mensen daar toch zo van? Ze zijn voor weinig anders goed dan als versiering, maar er worden schatten voor betaald. Aan sommige (zoals goud) zijn hele economieën opgehangen. Eigenlijk is er geen beginnen aan om zo’n vraag te beantwoorden – maar Grahame Clark (1907-1995), archeoloog te Cambridge, schreef er een boek over: Symbols of excellence. Het verscheen in 1986, en telt slechts 126 bladzijden.
Kijk, het zit zo, zegt Clark. Vanaf de vroegste aanzetten tot een menselijke samenleving, waarbij individuen een rol spelen, zien we dat kostbare substanties worden gewaardeerd. Ze symboliseren waardigheid, vruchtbaarheid, succes. Hand in hand met de beschaving komen ze op.
En dan vertelt hij welke substanties waar, door wie, waarom werden gewaardeerd en gebruikt. Hoe ze de wereld rond reisden. Dat voor de oude Chinezen jade boven goud ging – jade is verrukkelijk om aan te raken – maar ook voor de Azteken. Dat de Romeinen gek op parels waren, en nog honderd van die dingen meer.
Toen zijn boek verscheen was Clark een oude geleerde, die duidelijk geen behoefte had om gewichtig te doen. Zijn conservatieve opvattingen stak hij niet onder stoelen of banken. Maar ik heb nog nooit zo’n verhelderend boek over zo’n groot onderwerp gelezen.