Onlangs hadden we het ineens over Lederhosen. Begin jaren zestig, toen mijn broertjes en ik klein waren, woonden we in Duitsland. Niet in Beieren of zo, maar in het koele Hamburg. Maar ook daar droegen alle jongens tot een jaar of veertien, en zij dus ook, Lederhosen. ’s Zomers korte, ’s winters knielange, met wollen kousen er onder. Dat was praktisch, economisch, en het zat – zo verzekert mijn jongste broer mij nu – heerlijk, niet te warm en niet te koud, prettig aan de huid, en het hoefde nooit in de was.
Het kledingstuk zal daar nu ook verdwenen zijn, om redenen van mode. Maar er is iets met die Lederhosen. In Nederland zit je, als je er meer over wilt weten, meteen in een sfeer waar leer en latex in één adem worden genoemd, en websites van waarschuwingen worden voorzien. In Duitsland niet, daar kom je er van alles over te weten, zoals dat er een speciale kleermaker was die ze maakte, de Säckler. Toch hangt ook daar iets vagelijk verdachts aan de Lederhosen, iets dat met volksheid te maken heeft. Dat ik nu wel eens droom van een fijne, zachte leren broek, nog praktischer en lekkerder dan de spijkerbroeken die ik graag draag, dat kán helemaal niet.
Op de tentoonstelling De ideale man (over mannenmode vroeger en nu) in het Gemeentemuseum Den Haag zag ik een fraaie korte leren broek. Deel van een berguitrusting van Weense makelij, uit 1924, en niks volks aan. Kleding, lezer, het is een onuitputtelijk onderwerp.