Brochure, 1939 (illustratie uit B. Henkes en H. Oosterhof, Kaatje ben je boven?)
Het was gewoon niet helemaal netjes, dat een vrouw betaald werk verrichtte. Nu ja, het kon wel, maar ‘betaald’ zweemde altijd een klein beetje naar prostitutie… onder eclatante miskenning van het feit dat miljoenen vrouwen voor hun brood moesten werken, of ze wilden of niet. Tot de Tweede Wereldoorlog had ‘iedereen’ een dienstmeisje, wie op stand wilde leven had er zeker twee, en dat enorme leger dienstboden genoot maar weinig respect.
Ik kwam onlangs wonderlijke advertenties tegen: ‘Dienstbode gevraagd, katoen dragend’. Niet één, maar vele. En soms: ‘zwart dragend’. Hoe zat dat? Dienstbodenjurken waren van katoen, dat was fris en goed wasbaar. En in sommige, chiquere huishoudens droegen dienstmeisjes, als zij de thee of het eten brachten, een zwarte jurk, zoals een serveerster; niet van katoen maar van wol.
De advertenties waren een reactie op het feit dat dienstboden na de Eerste Wereldoorlog begonnen te rebelleren tegen dat ‘uniform’, dat ze vaak nog zelf moesten betalen ook. Ze wilden het niet meer. Tenslotte was een generatie eerder dat malle mutsje, een soort witte kanten bagel op je kruin, ook verdwenen. Ik schreef erover in mijn boek Leven op stand.
De ‘dienstbodenkwestie’ bereikte eind jaren dertig een hoogtepunt. Steeds minder meisjes wilden voor een karig loon 14 uur per dag keihard werken onder permanent toezicht van een Mevrouw. Er kwam een Bond van huishoudelijk personeel, die actie voerde, eisen stelde. De foto hierbij illustreert hun strijd: het omslag van een brochure uit 1939, een radiotoespraak van de secretaresse van die Bond. Die toespraak werd verboden. Te opruiend. Dienstboden normaal betalen en behandelen, dat was gewoon niet te doen. En leven zonder meid was toch ondenkbaar?