In 1963 – wij kinderen waren zeven, tien en elf – kocht mijn vader een Minox. Het was een fantastisch speelgoedje: een fototoestel, kleiner dan een pakje sigaretten, in de jaren dertig ontwikkeld als spionagecamera, en later als gadget op de markt gebracht. Een spionagecamera! Met een speciaal opzetstukje kon je zelfs om de hoek fotograferen: schijnbaar richtte je voor je uit, in werkelijkheid keek je zijwaarts.
De Minox gaf eindeloos conversatie op feestjes en partijen. Zo klein, een camera? Ja, vertelden wij, trotse ingewijden: je kon er echte foto’s mee maken, en dia’s – mijn vader maakte vooral dia’s – die dan levensgroot op het scherm verschenen. Van een negatiefje van, hou je vast, 8×11 millimeter. Een wonder.
Tien jaar heeft mijn vader met zijn Minox B opzien gebaard en ons gezin gefotografeerd, op vakantie, thuis, met familie, met vrienden. Tien jaar heeft hij regelmatig zitten priegelen, zuchtend, met die piepkleine diaatjes, die in speciale Minox-raampjes moesten, en natuurlijk alleen in de speciale Minox-projector pasten.
Nu liggen ze al jaren in een doos, meer dan 600 dia’s, compleet met alle toebehoren – het snijtangetje, het verrekijker-opzetstuk – en de camera zelf. Tien jaar familiegeschiedenis, hopeloos verstopt in vingernagelgrote plaatjes. Nee, handig was het niet – maar het was een beeldschoon gadget, lang voordat iederéén gadgets had.