Ileen
Montijn

 

Mompelaar

16 december 2007

Fuchs voor een Rembrandt (foto Maurice Boyer)

Fuchs voor een Rembrandt (foto Maurice Boyer)

De man is een mompelaar, schrijft Lucette ter Borg in haar interview met Rudi Fuchs in NRC Handelsblad (CS, 14 dec.). Wie hem ooit heeft horen spreken kan dat bevestigen. Nu ja. Vervolgens schrijft zij dat zij vroeger over Fuchs veel lelijks heeft moeten schrijven, dat hij dat niet leuk vond, en dat hij nu een hoge onderscheiding heeft gekregen. Een soort eerherstel. Dus, een gesprek.
Maar wat in de rest van het stuk zo ontzettend ontbreekt, is dat Fuchs ook maar één treffende, verhelderende, laat staan inspirerende uitspraak doet over de kunst waaraan hij zijn leven heeft gewijd. Hij noemt veel namen, openbaart dat hij een enorm talent voor vriendschap heeft met kunstenaars, en in het buitenland wèl hoog wordt geschat. Dat het er niet om gaat dat iets mooi is, ocharm – het grootste cliché van de moderne kunst. Nee, het gaat erom waar het vandaan komt. Een kunstenaar moet dicht bij zijn ‘oorsprong’ blijven.
Aan het eind, als toetje, Fuchs’ eigen oer-kunstervaring: hij heeft toen hij twee was een Rembrandt gezien. Het was een man met een verweerd gezicht die een kaars vasthield, in een schuilkelder, een man in clair-obscur. Maar het was geen Rembrandt, geen schilderij, het was een man! Later ging Fuchs over Rembrandt schrijven. ‘Half-fictie’ zelfs, de tweede keer. En wij blijven zitten met het pijnlijke gevoel dat het Rudi Fuchs uitsluitend gaat om zijn eigen zieleroerselen. Dat de kunst hem geen sikkepit interesseert.