Gillis van Scheyndel, Oom Baernt (ets, 1638). Collectie Rijksmuseum Amsterdam
Geen naaikamer heb ik, maar wel een naaitafel van – even opmeten – 80×190 centimeter, hoera! Niet zo groot als de fantastisch uitgestrekte tafels die stonden bij de Meesteropleiding Coupeur (nu helaas ter ziele), maar toch een rijk bezit, want naaien vraagt ruimte. Vroeger zaten kleermakers zelf bovenop hun tafel, in kleermakerszit. Zo bleef de stof schoon, en het was misschien ook goed voor het overzicht in de werkplaats, waar leerlingen en gezellen rondliepen. Alles natuurlijk vóór het tijdperk van de naaimachine.
Trouwens, alleen kleermakers (die herenkleding maakten) zaten op hun tafel. Naaisters (die vrouwen- en kinderkleding maakten) niet – stel je even voor: in kleermakerszit zeker. Hun status was laag, zij deden werk dat meisjes van hun moeders leerden. En als je afbeeldingen ziet van naaiateliers, zoals de schetsen die Isaac Israels een eeuw geleden maakte, sta je versteld van hoe dicht op elkaar gepropt die meisjes zaten, zonder elleboogruimte.
Op zoek naar kleermakers op hun tafel bladerde ik door de on-line catalogus van het Rijksmuseum, en werd getroffen door het verbazend grote aantal kleermakers op prenten en in tekeningen, ook caricaturen. Het toont dat de kleermaker een figuur van belang was, steunpilaar van de beschaafde samenleving – vraag het maar aan Thomas Carlyle.