Edmund J. Sullivan, Illustratie bij Sartor Resartus
Een van de raarste boeken die ik ken is Sartor Resartus van Thomas Carlyle. Sinds kort dan; voordien was ik al tevreden dat ik wist wat ‘sartor’ betekent, namelijk kleermaker, in het Latijn. Vandaar ook The Sartorialist, u weet wel.
Sartor Resartus betekent zoiets als ‘de ingenaaide kleermaker’. Het boek verscheen in 1836 en gaat – over kleren, destijds een nog veel ongewoner thema dan nu. Het is een satire vol verwijzingen naar Hegel en andere Duitse filosofen, en eigenlijk is het een boek in een boek; de hoofdfiguur, professor Diogenes Teufelsdrökh, werkt aan een studie over de filosofie van kleding. Tussendoor wordt hij steeds becommentarieerd door een ‘editor’, een soort Batavus Droogstoppel, die hem wil introduceren bij de Engelse lezer.
Wat er grappig aan is, is dat de auteur beweert dat de hele samenleving, ja de hele beschaving, is gebaseerd op stof, op cloth. Want wat zou er gebeuren als niemand nog kleren zou dragen? Kamerleden, politieagenten, professoren, dames? Hij weidt daar lang over uit, en concludeert tenslotte: kleding is alles. Zeggen we niet ook dat iemand is bekleed met gezag? En is niet het lichaam zelf het stoffelijke omhulsel voor de ziel? Het hele zichtbare universum en wat daarin is, is maar kleding, en de kern van alle wijsheid ligt in de filosofie van de kleding.
Dat is best een leuke gedachte, vind ik.