Een van de dingen die het leven interessant maakten was het verschijnsel naar huis brengen. Een meisje werd, bijvoorbeeld na het kerkkoor, maar ook van andere gelegenheden waar zij alleen was, naar huis gebracht door een van de aanwezige jongens. Je moest altijd maar afwachten, want het was net als ten dans gevraagd worden: zelf kon je moeilijk invloed uitoefenen. Als je pech had kwam iemand heel verkeerds naar je toe, bijvoorbeeld de oudste zoon van het kinderrijke domineesechtpaar. Dat was een ‘ei’, dat zag je van een kilometer afstand. Niks mee te beginnen. Dan was het naar huis brengen een kwestie van beleefde kout, terwijl het met C., en later met K., een uitnemende gelegenheid was om in het donker wat te treuzelen, samen. Aan het begin van de ouderlijke oprit kon dan nog wat extra getreuzeld worden, soms zelfs een sigaret gerookt, waarbij ik moest oppassen dat mijn vader ons niet in de gaten kreeg. En zoenen, zoenen. De gelegenheden daarvoor waren verder zo schaars, want je samen op een kamer terug te trekken was ondenkbaar – de enige andere gelegenheid waren feestjes.