Nicolaas Klei is dood. Hij was de aardigste, eenvoudigste, meest belezen en eigensoortige man die het ooit tot een soort BN’er schopte. Zijn invloed in de wijnwereld is groot geweest, dat wordt nu her en der gememoreerd. Maar ik heb hier, mét een aardige opdracht, het boek De man in zijn hemd, dat hij samen met Marieke Cobelens publiceerde in 1996. Geen ‘stijlgids’ zoals zelfbenoemde snobs in diezelfde tijd begonnen te schrijven – Klei was geen snob – maar een door nieuwsgierigheid gedreven geschiedenis van herenkleding.
Ik sla het open en stuit op een passage over ‘hoe de broek op te houden’ – een probleem, zo oud als de broek zelf, volgens Klei. Ooit waren er riempjes, koorden, oogjes met veters – tot begin 19de eeuw de bretellen verschenen. En dan beschrijft hij hoe de mode destijds eiste dat de broek strak werd gehouden, van onder tot boven. Pantalons hadden sous-pieds, net als nu nog skibroeken.
‘Maar om broeken tot volmaakte strakheid te bewegen – en zoals het Journal des Tailleurs van 26 februari 1838 schreef: elegantie is onmogelijk zonder een perfect strakke broek – moest er ook van bovenaf aan de broek worden getrokken. De bretellen. Voor al degenen die niet tot de kleine modieuze bovenlaag behoorden waren de “galgen” er om je min of meer passende broek (meestal geërfd of tweedehands gekocht) op te houden.’
De verleiding is groot om dóór te gaan met citeren, Klei’s combinatie van belezenheid en empathie is onweerstaanbaar. Onnodig te zeggen dat hij zelf altijd degelijke, gebruikte kleding droeg. Met bretellen, zeker nu hij de laatste jaren geweldig was vermagerd, iets waarover hij ook een boekje schreef. Dat ga ik snel kopen, maar verdorie, wat had ik hem graag beter willen kennen.