Danièle Herbelin op de markt in Avallon, waar ze tot november 2011 schorten verkocht.
Ach schort, arme schort. Schort is een droevig woord, er schort van alles aan, dingen zijn opgeschort… en we weten niet eens of we ‘het’ of ‘de’ schort moeten zeggen. Ik leerde als kind ‘de’, maar leef nu al jaren in een ‘het’-omgeving (hetzelfde geldt voor ‘aanrecht’, ook een beetje een treurig woord).
Je hebt schorten en schorten natuurlijk, maar er zijn maar weinig vrolijke bij. Het tuttige diensterschortje met ruches langs de rand, de forse boerinnenschort zonder borstflap (onbegrijpelijk manco – ik knoei altijd op mijn boezem), en niet te vergeten de vervaarlijke jasschort van de slagerse, het meest onflatteuze kledingstuk ever. Zelfs de ragfijne sierschortjes op 17de-eeuwse schilderijen vind ik deprimerend, omdat ze zo evident onbruikbaar zijn. En dan zwijgen we nog over de ergste schorten: met een afbeelding van een naakt lijf erop bijvoorbeeld, echt, het bestaat. Of, over onbruikbaar gesproken: plastic schorten. Soms met zo’n klem om je middel, en een bovendeeltje dat vanzelf omhoog staat. Om te huilen.
Je zou er een boek over kunnen schrijven. Het afgrijzen van Henriëtte Roland Holst, socialiste nota bene, dat haar vriendin Luise Kautsky zich in een schort durfde vertonen, als een meid! Dat was in 1905, en dat heb ik trouwens al in een boek geschreven.
Ooit maakte ik een foto van een bonte verzameling jasschorten in een marktkraam, ergens op het Franse platteland. Daar werd ik wel vrolijk van, maar ik ben hem geloof ik toch kwijtgeraakt. Op internet vond ik een aardige vervanging, zie bijgaande afbeelding. Zelfs in Frankrijk zijn zulke schorten (blouses, noemen ze ze daar, niet tabliers zoals je zou denken) aan het uitsterven; iemand heeft het over le blues des blouses. Zie je wel, daar ook.