Bospad bij ons dorp
Het was vreselijk. Ik draaide, jokte en bewoog hemel en aarde om Axel ervan te overtuigen dat ik die brief, die ik hem zelf had overhandigd, helemáál niet had geschreven. Dat het een misverstand was, een geraffineerde vervalsing… – Of hij het geloofde weet ik niet. Onze dagen samen (samen? we hadden amper honderd woorden gewisseld en waren nooit samen alleen geweest) waren geteld. Mijn eigen kleine Reigen ging verder; er doemde een nieuwe liefde op. Hij heette B. von B.: een bleke, tengere jongen met een loodzware adellijke naam. Hij zat in de parallelklas van het gymnasium dat ik intussen bezocht. Wie keek het eerst naar wie? Ik zal het wel weer zijn geweest, want B. was geen doener. We moesten verschrikkelijk oppassen: als het zou uitkomen zou de spot van onze klasgenoten genadeloos zijn geweest. Maar het lukte. Mijn broertje was de postbode. We schreven elkaar brieven, en maakten op die manier zelfs een afspraak. Een rendez-vous, in het gênante spraakgebruik van toen.
Wat er daarna gebeurde, lezer, vertel ik u later. Eerst moet ik een paar dagen weg.