Kleren maken de man (of vrouw) – 100 jaar geleden was het een geliefde platitude. Het was ook waarder dan nu, zeker op het platteland, waar je aan de dracht van boeren en vissers en hun vrouwen kon zien waar ze vandaan kwamen, en vaak zelfs wat hun geloof was, of hun huwelijkse staat.
Het standsverschil was zo hemelsbreed dat ‘hoog’ en ‘laag’ twee verschillende werelden waren – two nations, zoals Benjamin Disraeli schreef. Het idee dat een chique mevrouw de kleren van haar dienstbode zou aantrekken, of een volksmeisje als dame gekleed zou gaan, was bizar.
Toch was dat wat professor Gallée (1847-1908), taalkundige, kenner van dialecten en volkscultuur, zich één keertje veroorloofde. Gallée reisde door het land om mensen en boerderijen te fotograferen, op zoek naar ‘volkstypen’ in de verschillende landstreken, metend, beschrijvend – ja, allemaal nogal griezelig in het licht van latere rassentheorieën.
Hoe dan ook, op een dag verzon hij dat hij een Schevenings meisje eens zou verkleden als dame, om te kijken hoe dat er uit zag. Of hij er conclusies aan verbond weet ik niet, maar hij nam de foto op in zijn standaardwerk Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners (1908), dat hij net niet meer heeft zien verschijnen.
‘Scheveningse vrouw, donker type’, noemt hij haar in het bijschrift. Eerst is ze met muts en doek afgebeeld, dan zonder, en dan ‘als dame gekapt en gekleed’. Hoe ze heette, wat ze ervan vond, we weten het niet. En wij, zien we iets bijzonders aan deze jonge vrouw die van een rare geleerde voor één keer het kapsel en de blouse van een dure mevrouw mocht dragen? Eigenlijk niet. Ze is geen schoonheid, maar ze ziet er leuk en redelijk zelfbewust uit.
Op de foto in het midden, waar ze geen ‘volkstype’ en geen mevrouw hoeft te zijn, zie ik zelfs een zweem van een glimlach. Of verbeeld ik me dat?