Ileen
Montijn

 

Roken

19 februari 2007

H. Cartier-Bresson, Coco Chanel (1961)

H. Cartier-Bresson, Coco Chanel (1961)

Een keer in mijn leven heb ik een tweede sigaret aangestoken terwijl ik er al een had, brandend. Ik vond het zo gênant dat ik nog weet waar ik was (al heeft niemand het gemerkt). Ik rookte toen meer dan nu – maar was ik een bovengemiddelde rookster? Nee. Nu speel je met twee à drie sigaretten per dag vaak al de rol van verslaafde.
    Het roken in het verleden begint mythische vormen aan te nemen. Wat moet dat smerig zijn geweest, dat onafgebroken paffen! ‘Ik rookte altijd, zelfs bij het afwassen,’ vertelt een oude vriendin over haar leven in de Amsterdamse bohème. In het boek over de Afsluitdijk (zie 15/2) wordt verteld dat de steenzetters – zeer gespecialiseerd werk was dat, het maken van een soort kolossale legpuzzel – mochten roken bij het werk, als speciaal privilege. Een gewone werkman kon daarvoor ontslagen worden. Ik zie ineens weer die tegelzetter voor me, die twintig jaar geleden met een peuk in zijn mond onze badkamervloer legde. Een vieze man, maar zeer competent. Kan het niet toch ergens goed voor zijn geweest?