Schrijven is een soort van toveren. Je kunt alles schrijven, ook wat helemaal niet waar is, en dan lijkt het toch een beetje waar. Zo was ik in de weken na mijn twaalfde verjaardag, blij en vertwijfeld tegelijk over Axels gebaar, aan het dubben en dacht: ik zou een brief aan hem kunnen schrijven. Dan hoef ik hem nog niet te versturen, maar gewoon, als uitlaatklep. Een heel redelijke brief alsóf ik hem zou versturen, dat ik hem aardig vond en of we iets zouden afspreken of zo. Zo gezegd, zo gedaan.
Lezer, hoe het kwam dat ik Axel korte tijd later, op een schoolfeest, tegen alle bedoeling in die brief in de hand drukte, ik kan het niet navertellen. Het was een vergissing! (Een tekening wilde ik hem geven, een tekening van twee mensen onder een paraplu die ik zelf had gemaakt naar een andere tekening, die iemand op mijn feestje had vertoond!) Ik weet alleen dat ik ’s avonds, toen ik ineens besefte wat ik had gedaan, van pure ellende een prima onderbroek in tweeën heb gescheurd die ik toevallig net aan het uittrekken was. Ik wilde sterven van schaamte. Oen, oen die ik was.