Grappig woord eigenlijk, servies. Op de website van de grote serviezententoonstelling in het Princessehof in Leeuwarden schrijft iemand per ongeluk ‘service’. Tuurlijk.
In dat museum, dat een adembenemende, onder kenners befaamde collectie keramiek uit de hele wereld bezit, stellen ze nu serviezen van ‘de mensen zelf’ ten toon. Niet alléén natuurlijk, en uit sociologisch oogpunt zal dat ook vast wel interessant zijn, maar toch heeft zo veel nadruk op de ‘laagdrempeligheid’ – terwijl de echte schatten in het depot sluimeren – iets schokkends. Wat willen mensen bekijken in het museum? Zichzelf, daar komt het op neer. De spullen van hun ouders, van hun oma. Over hoe dat er uitziet mag ik niks zeggen, want ik ben er nog niet geweest, al heb ik wel een stukje geschreven in de bijbehorende catalogus, nee, ’tentoonstellingsglossy’ (zo’n publicatie is uitgevonden door het Rijksmuseum zelf. Tuttigheidsvrees, dat is het. Hoewel, ’t is ingewikkeld, want die eigen serviezen in het museum zijn natuurlijk ook tuttig.)
Tuttigheidsvrees ligt ook aan de basis van het geharrewar rond het Nationaal Historisch Museum, waar het bestuur twee flapdrollen tot directie heeft benoemd, die nu met het museum aan de haal gaan. De bedenkers van het oude NHM-plan, Jan Vaessen en Francine Houben, schreven gisteren iets heel waars in de krant: ‘gewone’ mensen hebben veel meer belangstelling voor geschiedenis dan voor moderne kunst en design. Dat vergeten zulke flapdrollen maar al te gemakkelijk – als het ze al iets kan schelen.