Ileen
Montijn

 

Great!

15 juni 2009

Damian Woetzel

Damian Woetzel

Wat maakt sommige kunst groot, groots? Een onmogelijke vraag – en tegelijk is er niets wat je liever zou willen weten, en niets belangrijker om over na te denken als het over kunst gaat. Gisteren had het Nexus-instituut, die enigszins mysterieuze en hoogst deftige instelling die zich toelegt op het ‘cultuurfilosofische debat’, er in Amsterdam een middag over georganiseerd. Het eerste deel was een feest. Damian Woetzel, tot vorig jaar solodanser bij het New York City Ballet, sprak over ballet. Hij liet filmpjes zien, demonstreerde dansfragmenten bij de muziek van een pianist, er was nog een danser, en Quirine Viersen speelde Bach op haar cello, waarbij Damian danste.

Het was geweldig, en juist zo mooi omdat overduidelijk was dat de grootste schoonheid schuilt in een indruk van het grootste gemak – en dat je héél veel moet kunnen, en héél hard moet werken om die indruk tot stand te brengen. Zou dat voor alle kunsten gelden? Ik denk het. Maar de aansluitende discussie bracht niemand verder. Tegenover degenen die geloven dat grote kunst bestaat, en dat ze niet zonder vakmanschap kan bloeien, stonden de anderen, de relativisten, die menen dat het eigenlijk allemaal maar ideeën zijn. Hal Foster, gevierd Amerikaans kunstcriticus, vond greatness een autoritair begrip. En toen René Boomkens, cultuurfilosoof van Hollandse bodem, daaraan toevoegde dat het allemaal een kwestie is van context, kreeg ik het gevoel dat ik liever ergens anders verder wilde praten. Of gewoon kijken naar iets echt moois.