Mijnheer Heldring is dood. Tegen het eind van zijn lange leven werd hij een nationale bekendheid, heel wonderlijk – terwijl hij, als commentator in NRC Handelsblad, decennialang toch bijna een geheime tip was geweest. Hij was afstandelijk, vrijzinnig, rationeel en conservatief: geen eigenschappen waarmee je populair wordt in Nederland – of elders, trouwens. De roem en de bewondering die hij op z’n oude dag oogstte, verklaarde hij zelf door het feit dat hij het schrijven zo lang had volgehouden; meer een kwantitatief dan een kwalitatief succes dus, en dat was natuurlijk zo.
Ik vermoed dat veel mensen hem juist de laatste tien of twintig jaar waren gaan lezen. Deels omdat hij zo’n fenomeen was, maar zeker ook omdat rechts steeds minder vies werd in de media. Zo konden ze ontdekken dat hij inderdaad een scherpzinnig waarnemer was, met een groot talent om verbanden en historische precedenten te zien (dat laatste ook dank zij een heel bijzonder, persoonlijk knipselarchief).
Een tijdlang, in de jaren tachtig en negentig, schreef Heldring wel eens over kwesties van stand, over ‘U and non-U’ taalgebruik en dergelijke. Taal interesseerde hem, maar standsverschil ook. Zijn generatie deftige heren begon in die tijd echt uit te sterven, wat hem natuurlijk niet ontging. Intellectuelen zoals hij waren altijd al zeldzaam in zijn kringen, maar mettertijd werd hij helemaal een eenling.
Heel soms had hij de neiging om iets te vertellen over hoe het vroeger was, in die kringen. Eind 2008 nog, toen hij schreef dat hij als jonge tiener in de crisis van de jaren dertig meemaakte dat volwassen werklozen langs de ijsbaan aanboden om je schaatsen voor je vast te maken, in de hoop op een dubbeltje fooi. Zou iemand mijnheer Heldring wel hebben uitgehoord over zijn bevoorrechte jeugd, en dat hebben vastgelegd? Eigenlijk had ik het wel leuk gevonden om dat te doen.