Nachtjapon van geplisseerde zalmkleurige zijde, jaren 20, Rijksmuseum
Plooien – daar had ik nog nooit bij stilgestaan. Plooien vond ik een leuk werkwoord voor schipperen, hier wat geven, daar wat nemen. Maar als het over stof gaat, blijkt het tegendeel waar: het is héél precies werk. Het zal nu meest machinaal gebeuren, maar in Frankrijk heb je nog maîtres plisseurs, die met de hand (en met karton, stoom en persen) stof plooien. Voor de haute couture bijvoorbeeld – op Youtube zijn fascinerende fimpjes te zien van hoe dat gaat. Een van de beroemdste heet Gérard Lognon, die tevreden vertelt dat hij de vierde generatie plisseur is. Zijn overgrootmoeder werkte in de tijd van Napoleon III, vóór 1870 dus.
Vlak nadat ik die filmpjes had ontdekt was ik toevallig weer in het Rijksmuseum, om te luisteren naar kunsthistorica Birthe Weijkamp, die alles weet van de garderobe van mevrouw Brusse (ik schreef er hier al over). Birthe wees op de fijne plooitjes in een bedjasje en een nachtjapon. Die moesten na het wassen opnieuw worden geplisseerd, elke keer opnieuw. In Amsterdam was er volgens mevrouw Brusse niemand die dat goed kon – daarom stuurde ze die stukken altijd naar Brussel. Nu, voor de expositie, had de textielrestauratrice in het Rijks er heel wat werk aan gehad. De roze plissés zien er inderdaad mooi uit, wat me geen geringe prestatie lijkt. De wereld is vol wonderen, al moet je soms twee keer kijken.