Ileen
Montijn

 

Zwanendons, c. 1900

9 december 2015

Balletkostuum met zwanendons uit 1909 (voor La Mer de Glace van J. Lorrain, muziek van Ch. Silver). Collectie Musée National de Monaco

Balletkostuum met zwanendons uit 1909 (voor La Mer de Glace van J. Lorrain, muziek van Ch. Silver). Collectie Musée National de Monaco

Het aller-, àllerzachtste bont is zwanendons. Ik wist nooit goed hoe dat zat: dons, dat zijn toch veertjes? Hoe kunnen er kledingstukken van (of mee) gemaakt zijn? Toevallig lees ik in een artikel uit 1890 over de Amsterdamse Jodenbuurt – vlak achter de Prins Hendrikkade, grotendeels vernield toen de IJtunnel er kwam – hoe het toen werd geproduceerd. Het wordt precies beschreven: zwanendons is gewoon zwanenbont.

Bij poeliers, meestal in kelders gevestigd, is het ‘in de zwanentijd’ een drukte van belang. Manden met honderden zwanen worden afgeleverd. Ze worden gekeeld en geplukt; maar alleen de grotere veren. Daarna wordt de dode zwaan met een touwtje aan zijn hals opgehangen, de poelier gaat erbij zitten en stroopt er heel, heel voorzichtig met een mesje het vel af. Zwanendons! Het looien gebeurt ergens anders, het opeten van de rest van het beest trouwens ook, want zwaan is niet koosjer.

Vroeger stond in de boekenkast van mijn vader een boekje met de titel The girl with the swansdown seat – dat vond ik een spannende titel. Ik zie nu dat het een roman uit 1955 is, een beetje o lala… Wat een swansdown seat is weet ik nog steeds niet (donzig zachte billen?), maar hoe het zit met zwanendons is me nu duidelijk. Dat werd tijd.