Bezoekersjas in de etalage. Het Nieuwe Instituut, Rotterdam, 23 december 2015
Ik mocht in de etalage – nu ja, mijn jas, mijn alpino en mijn wollen bontje. De garderobière van Het Nieuwe Instituut vroeg of ik dat goed vond. Ze drapeerden altijd drie jassen van bezoekers op poppen, zei ze, het hoorde bij de tentoonstelling.
Dat was een ontwapenende ontvangst, terwijl ik met al mijn mentale stekels in de aanslag het ‘Tijdelijk modemuseum’ kwam bezoeken in dit Rotterdamse instituut, vroeger bekend als het Nederlands Architectuurinstituut. Het huist in een onmogelijk gebouw uit 1993 (geen waarneembare ingang, ijzeren roosters als vloeren, van die dingen).
Sinds kort, na een fusie met een paar andere instellingen, heeft het een nieuwe naam. Die staat de laatste tijd wel eens in de krant omdat de bijbehorende nieuwe directeur, Guus Beumer, een visionair is, wat inhoudt dat hij uitsluitend is gediend van zijn eigen incrowd. En wat er ook aan het licht komt aan bevoordeelde vriendjes en constructies met subsidiegeld, hij zit er nog steeds. Cultuur is lastig, voor een overheid.
Toch hebben wij ons wel vermaakt, mijn al even sceptische reisgenote en ik. Bijvoorbeeld in de ‘new haberdashery’ (echt niemand van de incrowd zegt ‘fourniturenzaak’), met een fraai assortiment aan stoffen, met krijtjes, spelden, patronen, naaimachines, kniptafels… alles was er zo ingericht dat bezoekers desgewenst zelf konden gaan naaien. Niet dat velen dat deden, maar de mevrouw die er de wacht hield, modevakschool-docente van beroep, was aardig en wist veel. (Maar als we geen zin hadden gehad in een gesprekje zouden we van de hele opstelling geen snars wijzer zijn geworden.)
Verder waren er vooral veel namen. Een couturier die iets heel verantwoords deed met restpartijen, een verzamelaar die zijn vintage-collectie van de hand deed. Namen zijn vreselijk belangrijk in de mode, en ook als je een tentoonstelling over mode maakt die niet meer is dan een verzameling ‘projecten’.
Dus het viel mee, al met al, dit ‘tijdelijke modemuseum’? Nee en ja. Het is pretentieus, onduidelijk, rommelig en onsamenhangend. Maar er zijn ook grappige, mooie en zelfs wat interessante dingen te zien. Ook vormt dat onmogelijke gebouw een decor dat je ‘visueel interessant’ zou kunnen noemen. En ja – de ontvangst is aardig.