Ileen
Montijn

 

Deftige, dure distantie

2 juni 2020

Caricatuur van Honoré Daumier, 1856.

Caricatuur van Honoré Daumier, 1856.

Het gevecht om de ruimte is begonnen.

Natuurlijk hebben de rijken altijd meer ruimte gehad dan anderen. Niet alleen waren hun huizen groter, met meer én grotere kamers, ook hadden zij tuinen, hele parken soms, ja zelfs kleren die meer ruimte eisten: denk aan de crinoline en haar dwaze voorloopsters, maar ook aan slepen en capes.

In de architectuur is ruimte vreten vanouds een vereiste om indruk te maken: liefst lege, hoge, loze ruimte moet het zijn. Vides, luifels, alles om ruimte te claimen. Dat is alleen maar meer geworden.

Nu zo’n beetje iedereen rijk is, maken steeds meer mensen zich ook steeds meer breed in de ‘openbare ruimte’. Zat 50 jaar geleden wel eens iemand die geen hippie was op het gras, in een park? Terrassen waren er toen ook amper; een ‘terrasje’ was iets in zuidelijke landen. Nu ja, in Parijs had je ze, langs de boulevards. Vakantie, dat was op terrasjes zitten, ruimte innemen mét bediening. Genieten!

De regels voor sociale distantie sluiten precies aan bij een historische ontwikkeling. Meer welvaart betekent meer ruimtebeslag, eerst binnen, dan buiten. Geen wonder dat het open gaan van de terrassen, gisteren, werd toegejuicht alsof het om de Bevrijding ging (zoals iemand in de Volkskrant opmerkte).

Het vervelende is dat de ruimte zowat op is, zeker in de stad. Daar gaat deftig en duur distantie houden ten koste van andermans bewegingsvrijheid. Wandelaars, kinderen op stepjes, om nog te zwijgen van kinderwagens en rolstoelen, moeten indikken. De toeristenval hier om de hoek heeft – ten koste van drie parkeerplekken en een halve stoep – nu meer zitplaatsen dan hij ooit heeft gehad. Ja, we moeten elkaar een beetje ruimte gunnen; alleen is het niet echt wederzijds. De have-nots moeten de haves wat gunnen. Ach nou ja, eigenlijk precies zoals het altijd is geweest.