Waterlooplein, circa 1965. Foto Herman Baaren
‘Heb je weer dat armoedige vestje aan?’ vroeg iemand laatst toen ik op het punt stond de deur uit te gaan. Armoedig? Dit was toch een prima vestje? Maar natuurlijk had hij gelijk: soms moet iemand anders je de ogen openen voor wat je zelf niet meer ziet.
Ooit, als studente, werd ik op sleeptouw genomen door een Italiaan. Het was een man van de wereld, geleerd, van adel zelfs. In Rome bezochten we vrienden van hem, en de volgende dag miste ik mijn regenjas. Een ongevoerde, groenige jas die ik nogal leuk vond, en terug wilde hebben, zodat we weer naar die vrienden moesten, wat mijn Italiaan boos maakte: voor die torchon! Een dweil, een vod, zo noemde hij mijn jas. Op slag zag ik dat het waar was. Het wàs ook een vod, vormeloos, de snit onzichtbaar door kreukels.
Kleren die ooit mooi waren, waar je iets in zag of die iets voor je deden, worden onooglijk. Jij ziet nog de oude kleur, de wereld vindt ze vaal. Het model is eruit, de fleur verdampt. Nee, niet als ze ècht mooi waren, van uitmuntende kwaliteit, zoals kleren eigenlijk horen te zijn: die worden zelfs met eer oud. Toch? Maar zulke kleren zijn heel zeldzaam, en ik heb er weinig ervaring mee. Misschien dat ik het onderwerp juist daarom zo fascinerend vind.