Ileen
Montijn

 

Op audiëntie bij Worth

3 augustus 2019

Charles Frederick Worth (1825-1895) op 30-jarige leeftijd

Charles Frederick Worth (1825-1895) op 30-jarige leeftijd

De roman La Curée van Emile Zola speelt ten tijde van keizer Napoleon III. De nouveaux riches feesten als bezetenen, Parijs wordt geheel verbouwd, en alle dames dromen van de jurken van één man: Worth, aartsvader aller couturiers, wiens rekeningen zelfs gekroonde hoofden doen verbleken.
De jonge Renée komt dankzij haar schatrijke echtgenoot ook bij Worms (zoals hij in het boek heet), en haar 17-jarige stiefzoon Maxime mag mee. Ik citeer met hulp van een ouderwetse vertaling van het boek door J.J. Schwenke, De jacht op fortuin geheten.

“Dikwijls moesten Renée en Maxime uren lang wachten; daar waren wel twintig cliëntes in spe, die haar beurt afwachtten, beschuitjes in glazen madera doopten of snoepten van de grote tafel in het midden, waarop flesschen en borden met petit-fours verspreid stonden. De dames waren daar thuis, spraken vrijuit, en als zij daar zoo in groepjes rondom de kamer zaten, zou men ze voor een vlucht witte Lesbische vogels hebben aangezien, die op de divans van een Parijsch salon waren neergestreken.
Maxime, die daar geduld en geliefd werd (…) was zoo tenger dat de dames hem niet ouder dan veertien jaar schatten. Zij vonden er pleizier in hem met de madera van den beroemden Worms dronken te voeren. Hij zei de zotste dingen, die haar tranen deden lachen. (…)

Toen de groote Worms Renée eindelijk ontving, betrad Maxime met haar de kamer. Een paar malen veroorloofde hij zich iets te zeggen, terwijl de meester in de aanschouwing van zijn cliënte verdiept was, zooals de hoogepriesters der kunst beweren dat Léonard de Vinci tegenover Mona Lisa gedaan heeft.
De meester had zich verwaardigd om over de juistheid zijner opmerkingen te glimlachen. Hij liet Renée voor een spiegel staan, die van den vloer tot aan de zoldering reikte, beschouwde haar in stil gepeins, met gefronste wenkbrauwen, terwijl de jonge vrouw gespannen haar adem inhield om niet te bewegen. En een paar minuten later teekende de meester, alsof hij door een ingeving gegrepen en geschud werd, in grote, snelle trekken het meesterwerk dat hem zojuist was ingegeven, en riep hij in afgebroken zinnen uit:

—Robe Montespan van aschkleurige zijde… de sleep loopt van voren door in een boogvormig pand… groote grijs-satijnen strikken die haar op de heupen opnemen… ten slotte een geplooid voorschoot van parelgrijze tulle, de plooien gescheiden door grijs satijnen stroken.

Hij verzonk weer in gepeins, scheen tot in de diepste diepten van zijn genie af te dalen, en met de zegevierende grimas van een waarzegster op haar drievoet, eindigde hij:
—Wij zullen in het haar, op dat lachende hoofdje, den droomenden vlinder van Psyche plaatsen, met vleugels in changeant azuurblauw.

Maar somtijds wou de ingeving niet komen. De beroemde Worms riep ze te vergeefs op, spande zijn geheele denkvermogen te vergeefs in. Hij fronste geweldig zijn wenkbrauwen, werd zoo wit als een doek, nam zijn arm hoofd, dat hij wanhopig schudde, tusschen de handen, en moest zich eindelijk overwonnen geven. Dan liet hij zich in een leuningstoel neervallen, en met klagelijke stem fluisterde hij:
—Neen, neen, vandaag niet… ’t is niet mogelijk. De dames vragen te veel. De bron is opgedroogd. En hij zond Renée heen met de herhaalde betuiging:
—Niet mogelijk, niet mogelijk, lieve mevrouw, kom een anderen dag maar eens terug…. Ik vóel u niet, vanmorgen.”