Ileen
Montijn

 

Teer en koesterend: het peignoir

8 januari 2020

Peignoir van katoen, tule en kant, mogelijk gekocht bij de Bonneterie in Den Haag, c. 1902, Huis van Gijn. Foto Jorgen Snoep (detail)

Peignoir van katoen, tule en kant, mogelijk gekocht bij de Bonneterie in Den Haag, c. 1902, Huis van Gijn. Foto Jorgen Snoep (detail)

Dat je het woord eigenlijk niet kunt uitspreken, draagt bij tot de geheimzinnige charme van het peignoir. Tea-gown is makkelijker, en eigenlijk is het hetzelfde: een elegant, los vallend kledingstuk waaronder je, o weldaad, géén korset hoeft te dragen. Je bent een soort wolk, donzig, onaanraakbaar.

In Buddenbrooks (1901) van Thomas Mann kwam ik tot mijn verrassing peignoirs tegen, die daar heel huiselijk Schlafröcke heten. Tony Buddenbrook dweept ermee, en verzoent zich met het haar opgelegde huwelijk met de vreselijke Grünlich omdat zij zich nu maar liefst drie van die tere, koesterende kledingstukken kan permitteren, ‘waarin meer smaak, raffinement en fantasie kan worden gelegd dan in een baltoilet’. Een is donkerrood, precies de kleur van het behang in de eetkamer, zachter dan watten, en helemaal bezet met een ‘regenbui van piepkleine glaskraaltjes’; een lange, rechte rij fluwelen strikjes loopt omlaag van haar hals tot de zoom.
Arme Tony. De Schlafröcke in haar leven worden steeds minder, net als de firma Buddenbrook waarvan zij zo’n trotse telg is.

In Huis van Gijn in Dordrecht, waar de 19de eeuw springlevend is, is in het boudoir een peignoir te zien dat Tony Buddenbrook zeker zou hebben begeerd. Het is van fijne, crèmekleurige, geplisseerde stof, met over de schouders een capeje van stroken kant. Geen kledingstuk om in de keuken het ontbijt te maken, maar wel om informeel en toch elegant een vriendin te ontvangen, of brieven te schrijven. Ze noemen het daar een ochtendjapon, en hij hoort bij de tentoonstelling Slow Fashion: ga hem zien, hij is het waard.